Home Kliniek Het team Gezelschapsdieren Landbouwhuisdieren Paarden Spoedgeval Links Contact
Home - Nieuwsbrief 2010 winter



 METAALVERGIFTIGINGEN BIJ PAPEGAAIACHTIGEN

Een van de meest voorkomende vergiftigingen bij de papegaaiachtigen is zinkvergiftiging maar ook loodvergiftiging en recenter de teflonvergiftiging zijn intoxicaties die voorkomen.

Zinkvergiftiging:

Een van de belangrijkste bronnen van zink is de kooi. Veel kooien zijn voorzien van een verflaagje. Deze verf kan zink bevatten. Papegaaien zijn echte “knabbelaars” en daarbij wordt de kooi ook niet ontzien. Op deze manier kunnen ze dus zink binnenkrijgen. Andere bronnen zijn munten, bloemenmest, sleutels, etc.

De symptomen van een zinkvergiftiging zijn meer drinken en plassen, zwakte, trage darmpassage en uitscheiden van onverteerde voedselpartikels, regurgiteren (na het eten dit vrijwel meteen weer uitbraken) en uiteindelijk sterfte. Helaas zijn de klachten niet altijd zo typisch dat er meteen aan een zinkvergiftiging wordt gedacht.

Hoe stel je nou een zinkvergiftiging vast? Ten eerste is natuurlijk het verhaal van de eigenaar belangrijk en kan er op de symptomen worden afgegaan maar zoals net al aangehaald zijn de klachten niet altijd meteen indicatief voor een zinkvergiftiging. De enige manier waarmee zekerheid kan worden bekomen is een röntgenfoto te maken. Op de foto zijn dan zinkdeeltjes aan te tonen in de maag.

Er werd tot nog niet zo lang geleden verteld dat er geen behandeling was voor deze vergiftiging maar tegenwoordig zijn er nieuwe inzichten. Een zinkvergiftiging kan worden behandeld met penicilline (dit mengt zich met het zink waardoor het door het lichaam kan worden uitgescheiden) en laxeermiddel. Uiteraard hangt de prognose wel af van de hoeveelheid zink die het diertje heeft binnengekregen.

Loodvergiftiging:

De voornaamste bron van lood zijn de wijnfleshulzen die soms als “speeltje” worden gegeven en loodhoudende verf. Een loodvergiftiging geeft klachten als algemene zwakte, niet willen eten, diarree, centraal zenuwstoornissen en bloederige/waterige urine.

Een vergiftiging kan worden aangetoond door een bloedonderzoek te doen (aantonen van lood in het bloed en verschijnselen als bloedarmoede) en op een röntgenfoto is het lood ook zichtbaar.

Over de behandeling is bekend dat het lood zo snel mogelijk door het lichaam moet worden uitgescheiden door te laxeren en de verdere behandeling bestaat uit ondersteunend behandelen waarbij opname in een couveuse, infuus met aanvullende injecties en beademing. Aangezien het diertje meestal niet zelf eet zal er ook dmv een sonde eten worden gegeven.

Teflonvergiftiging:

Teflon is een stof die in de antiaanbaklaag van pannen maar ook van bijvoorbeeld gourmetstellen verwerkt is. Als dit Teflon warm wordt krijg je een damp die giftig is. Om deze reden is het aan te raden nooit de kooi van een papegaai in de keuken te zetten maar een gourmetstel mag dus ook niet in dezelfde ruimte gebruikt worden als waar de papegaai is.

De giftige dampen veroorzaken longbloedingen bij de papegaai en is daarmee dodelijk. Vogels die al benauwd zijn, zijn meestal niet meer te redden. Als de klachten nog meevallen kan er nog geprobeerd worden het diertje in een zuurstofkooi en het geven van vochtafdrijvers er weer bovenop te helpen.

 UIT DE PRAKTIJK (geschreven door dierenarts Leon Oerlemans)

Het is zaterdag en ik heb dienst. Het valt tot nog toe wel mee met de drukte. We zijn net klaar met een niet al te druk spreekuur wanneer ik wordt gebeld door de dierenambulance Haarlem. Annelies, werkzaam bij de dierenambulance, vraagt om mijn medewerking. Een hond die via de stichting zwerfhonden vanuit Spanje naar Nederland is gekomen, is bij zijn nieuwe eigenaar ontsnapt en rent tussen Halfweg en de Zuiderpolder in Haarlem op en neer. Ze zijn al een dag bezig het beestje te vangen, maar door haar achtergrond vertrouwt Swami de goedbedoelde pogingen niet. Annelies vraagt of ik morgen een helpende hand kan reiken door met de blaaspijp Swami te verdoven als het niet lukt haar deze dag te vangen. Uiteraard is dit geen probleem.

Echter de volgende dag is Swami nergens te vinden en ik wordt gebeld dat het erop lijkt dat het niet doorgaat. Als ik ’s middags gebeld wordt dat ze weer gevonden is, wordt het al bijna donker. Na een beetje op en neer te rijden, vinden we haar doodop bij een transformatorhuisje. Ik probeer haar te naderen, maar op een afstand van een kleine 15 meter neemt ze opnieuw de benen. Gelukkig is het eerste schot raak (langleve mijn kwajongensverleden). De adrenaline in haar lijf doet haar nog zeker anderhalve kilometer verder rennen voor ze uiteindelijk gaat slapen. Na een kort onderzoek maak ik haar weer wakker en gaat ze met Annelies mee naar de opvang. Eind goed al goed…

Alleen heeft dit verhaal nog een staartje: De volgende donderdagavond komt Annelies met urine van Swami. Deze is donker/koffiekleurig. Even hoop ik dat het myoglobine is, een afbraakkleurstof van spieren, welke bij een hele heftige inspanning via de urine naar buiten kan komen. Het urinestripje vertelt helaas anders. Als ik de urine onder de microscoop bekijk zie ik heel veel spartelende kleine wormachtige beestjes. De urine stinkt heel erg en de zuurtegraad is veel te hoog. Alle alarmbellen gaan af en ik ben blij dat ik handschoenen draag.

Swami heeft zich twee dagen in leven moeten houden met slootwater en misschien hier en daar een rat. Een Nederlandse hond wordt doorgaans goed ingeënt, maar een Spaanse zwerfhond… daar heb ik zo mijn bedenkingen over. Ik ben nog niet 100% zeker van mijn diagnose, maar ik start toch al met de medicijnen. Een aantal dagen later wordt door het laboratorium de diagnose Leptospirose (ziekte van Weil) bevestigd. Deze ziekte is ook besmettelijk voor mensen. Gelukkig slaat de behandeling goed aan en binnen een paar dagen is Swami weer de oude. Doordat Annelies zo goed oplette en wij snel doorhadden wat er aan de hand was, is de schade voor Swami zeer beperkt gebleven en kon iedereen op tijd gewaarschuwd worden.

De ziekte van Weil is een ziekte overgebracht door ratten en hun urine in oppervlakte water van stilstaande wateren. Daarom is het zo belangrijk dat honden ieder jaar voor de ziekte van Weil geënt worden. Voor honden waarmee gejaagd wordt en/of die heel veel in oppervlakte water zwemmen wordt het zelfs aangeraden om 2x per jaar te enten.

 GEBITSPROBLEMEN BIJ DE KAT

Katten hebben regelmatig gebitsproblemen. Hun baasje merkt meestal roodheid en zwelling van het tandvlees, stinkende adem, speekselen, of tandsteen op. Soms kunnen ook blaasjes of zelfs zweren in het slijmvlies worden gezien. Onder het (gezwollen) tandvlees komen we nogal eens gaatjes tegen in kiezen en/of tanden, op de overgang van de wortel naar de kroon, ook wel FORL (Feline Oral Resorption Lesion) genoemd. Deze FORLs kunnen erg pijnlijk zijn. Vaak zien we een combinatie van voorgaande problemen. We noemen dit bij de kat ook wel het stomatitis/gingivitis complex, al dan niet in combinatie met een of meerdere FORLs. Stomatitis is een ontsteking in de mondholte, gingivitis is een ontsteking van het tandvlees.

Bij het merendeel van de katten met gebitsproblemen is er sprake van een verminderde afweer. Dit kan ontstaan doordat de dieren een bepaalde infectie hebben opgelopen, zoals bv. een virale infectie (herpesvirus, calicivirus, veroorzakers van niesziekte),FIV, FeLV, stress, voedingstekorten (bv. vitaminetekorten), ouderdom, langdurige behandeling met bepaalde medicijnen (zoals prednison), of de aanwezigheid van tumoren. Het kan ook zijn dat het afweersysteem juist overdreven gaat reageren en als het ware een te heftige reactie laat zien. Bacteriën kunnen in zo’n bekje ook een hele belangrijke bijdrage leveren aan de ontsteking.

Hoe kunnen we deze problemen behandelen of voorkomen? Het meest belangrijke is in eerste instantie een grondige gebitsbehandeling. Daarbij worden alle tanden en kiezen grondig schoongemaakt en dienen alle gebitselementen met ernstige FORLs verwijderd te worden. Eventueel kunnen ook zwellingen van het tandvlees verwijderd worden, zeker als er continu op gebeten wordt. Na zo’n behandeling is antibioticum regelmatig nodig om een bacteriële infectie tegen te gaan en uiteraard een goede pijnstiller.

Het meest effectief om problemen te voorkomen is het dagelijks poetsen van het gebit, maar helaas zullen een heleboel katten dat niet of vrijwel niet toelaten. Om het gebit goed te onderhouden adviseren wij deze dieren vooral droogvoer te geven. Er is speciale voeding ontwikkeld voor dieren met gebitsproblemen (Dental®, Royal Canin). De vorm en grootte van de brokken levert een belangrijke bijdrage aan het voorkomen van tandplak en tandsteen. Daarnaast is het verstandig om de katten te voeren uit stalen bakjes en deze voor iedere maaltijd schoon te maken. Deze zijn beter schoon te houden dan plastic bakjes. Aan het drinkwater kan een antitandplakvloeistof (Aquadent®, Virbac) worden toegevoegd om zo nieuwe infecties te voorkomen.

Vitaminepreparaten welke met name A, C en E bevatten kunnen ook een toegevoegde waarde leveren (Nutriplus cat®, Virbac). In sommige gevallen worden lage doseringen van prednison gegeven om de klachten onder controle te krijgen. Tegenwoordig is ook een behandeling mogelijk met interferon (Virbagen Omega, Virbac®), echter de wetenschappers zijn er nog niet uit welke dosering en welke toedieningswijze het meest effectief is. Interferon is een antiviraal middel, het stimuleert het eigen afweersysteem en kan zorgen voor minder zwelling in het tandvlees. Indien andere vormen van medicatie onvoldoende effectief zijn, biedt dit wellicht perspectief.

Helaas zijn bovenstaande gebitsproblemen bij de kat zeer hardnekkig en keren ze zeer regelmatig terug. De therapie zal vaak moeten bestaan uit een combinatie van eerder genoemde zaken. Het kan zijn dat behandelingen regelmatig moeten worden herhaald of voor langere tijd moeten worden ingesteld. Ondersteuning en onderhoud van het gebit zijn essentieel bij deze problemen.

Bronvermelding foto's: www.veterinarydental.com/veterinarians/flps.php

 DE BRAKENDE HOND

In dit stukje wordt nader ingegaan op het fenomeen van braken.

Bij brakende honden is het voor ons altijd van belang om de oorzaak te achterhalen en om te bepalen of er wel echt sprake is van braken, dat wil zeggen met kokhalzen en met flinke buikpers. Het opgeven van voer en vocht kan ook optreden bij regurgiteren. Het voer wordt vóór dat het in de maag terechtkomt, kort na het eten, weer uitgespuugd. Dit wordt meestal veroorzaakt door een zenuwstoring van de slokdarm of door een vernauwing in of juist verzakking van de slokdarm. Verder kan hoesten ook veel lijken op braken. Als een hond vastzittend slijm wil ophoesten kan er onder- of bovendruk in de maag optreden en bij het hoesten kunnen dan wat voerdelen naar boven komen. De hond spuugt dit dan uit. Meestal vind je dan veel schuimig slijm met wat voer.

Als er sprake is van echt braken, dan is het zaak te achterhalen waar de oorzaak ligt. Belangrijjk om te weten is dan dat braken wordt gereguleerd in de hersenen, de chemotriggerzone, vanuit de maag of de darmen. Het braken dat vanuit de hersenen wordt gereguleerd kan een reactie zijn op chemische stoffen in het bloed, bijvoorbeeld gifstoffen die in te hoge concentraties aanwezig zijn bij lever- en/of nierfalen. Ook evenwichtsproblemen kunnen deze zone prikkelen, zoals je zelf misselijk kunt worden in de achtbaan. Honden hebben vaak last van wagenziekte. Het advies is om te oefenen als ze klein zijn en de hond naar voren te laten kijken tijdens het rijden. De maag kan ook de braakprikkel geven. In de maag zijn receptoren die bij prikkeling braken geven. Deze prikkeling kan acuut gebeuren, bijvoorbeeld door het drinken van bijtende stoffen of meer chronisch, bijvoorbeeld bij een maagzweer. Ook vanuit de darmen kunnen signalen afgegeven worden om te gaan braken, gedacht kan worden aan een (gedeeltelijke) darmafsluiting maar ook over rekking, bijvoorbeeld bij overmatige gasvorming, kan aanleiding zijn om te gaan braken.

Zoals gezegd braakt iedere hond wel eens. Als je ziet dat je hond iets “verkeerds” heeft gegeten dan is braken eigenlijk een zeer nuttige en goede manier om daar weer vanaf te komen. Als je hond iets verkeerds heeft gegeten en dat geeft niet automatisch een braakprikkel (bijvoorbeeld chocolade) dan zal de dierenarts snel gebeld moeten worden om de hond te laten braken door middel van een injectie via prikkeling van het braakcentrum in de hersenen. Als je hond eenmalig of enkele keren heeft gebraakt moet het braken wel ophouden, anders is het goed om contact op te nemen met de kliniek.

Braken kan een spoedgeval zijn. Het ergste is een hond die braakt zonder dat er iets uit komt. Hierbij wordt niet bedoelt een hond die eerst braakt met inhoud en daarna nog een paar keer braakt terwijl er niets uit komt maar een hond die een paar uur na de maaltijd probeert te braken. Zeker als het een groot ras betreft en de buik wordt dik is dit absoluut een spoedgeval. Braken zonder dat er iets komt kan namelijk wijzen op een maagtorsie. Een hond die veel bloed, veelal met stolsels erin, spuugt is ook absoluut een spoedgeval.

Minder grote spoed, maar wel verstandig om snel na te laten kijken, is een hond die niet ophoudt met spugen. Als een hond uren achter elkaar spuugt kunnen elektrolyten in het bloed verstoord raken omdat een hond met het maagzuur enkele elektrolyten (waterstof en chloor) verliest. Ook als een hond tussendoor niet braakt maar wel iedere keer als hij iets eet of drinkt, het er meteen weer uitgooit is dit een reden om te bellen. Er kan sprake zijn van een ileus waarbij de darmen stil liggen en niets meer doen.

Geen spoed, wel verstandig om je hond na te laten kijken is als hij al een paar dagen af en toe braakt of als hij op gezette tijden braakt, bijvoorbeeld iedere ochtend.

Bij aankomst in de kliniek zal de dierenarts proberen de oorzaak te achterhalen. Soms kan dat met een anamnese en lichamelijk onderzoek, soms is het verstandig om wat verder te kijken met een bloedonderzoek en/of röntgenfoto van de buik. We proberen immers niet alleen het symptoom braken op te lossen maar ook de oorzaak weg te nemen.

 HANG DE KERSTKRANSJES HOOG IN DE BOOM!

Het is weer bijna december en de feestdagen komen er weer aan. Chocoladeletters en kerstkransjes in overvloed. Heerlijk hoor, jezelf lekker verwennen, maar dan kan uw hond toch niet achterblijven??

Nee, de hond moet zeker ook verwend worden, maar NIET met chocola! Chocola is erg gevaarlijk voor huisdieren! Chocola wordt gemaakt van onder andere cacaobonen en in deze cacaobonen zit een stof genaamd theobromine. Deze stof wordt opgenomen via de darm, waarna hij door het hele lichaam verspreid wordt. Binnen zes tot twaalf uur nadat uw hond chocola heeft gegeten zie je dat ze er last van krijgen. In eerste instantie zie je onrust, veel drinken en maag-darm klachten zoals braken en diarree. Later kunnen ze ook neurologische verschijnselen krijgen zoals trillen en een soort epileptische aanvallen. Ook kan het hart aangetast worden en het dier kan uiteindelijk in een coma raken en overlijden.

Chocola is ook giftig voor andere dieren zoals de kat, het paard en de papegaai, maar aangezien deze dieren of minder vaak met chocola in aanraking komen (paarden), of erg kieskeurige eters zijn (kat), zien we chocoladevergiftiging minder vaak bij die dieren.

Nu vraagt u zich misschien af hoe het komt dat mensen er dan geen last van hebben?

Mensen breken theobromine veel sneller af in het lichaam. Mensen hebben maar 7 uur nodig om de stof uit het lichaam te krijgen, terwijl het bij de hond bijvoorbeeld wel 17,5 uur voor de helft van de stof uit het lichaam is. De theobromine hoopt zich op in het lichaam, waardoor het veel sneller giftig is.

Maar als de hond nu per ongeluk een bonbon heeft opgegeten, moet u zich dan al zorgen maken?

Niet in alle chocoladesoorten zit evenveel cacao en dus evenveel theobromine. In cacaopoeder zit veel meer theobromine (28,5 mg/g), dan in chocola . En in pure chocolade zit weer veel meer (5,5-5,7 mg/g) dan in melkchocolade (2,3 mg/g) of in witte chocolade (bijna niks). Over het algemeen kunnen honden al problemen krijgen als ze 20 mg theobromine per kilogram lichaamsgewicht binnenkrijgen. Dit betekent bijvoorbeeld voor een hond van 20 kg dat een pure reep chocola van 70 gram al problemen kan geven. En dat 250 gram melkchocola voor een hond van 10 kg fataal kan zijn. Voor een klein hondje van 1 kg kan 3,5 gram pure chocolade al gevaarlijk zijn. Dat is nog minder dan 1 blokje van een reep.

De bijgevoegde tabel is bedoelt om u een idee te geven van hoeveel chocola al gevaarlijk kan zijn voor uw hond.

   Gewicht hond       Pure chocolade        Melk chocolade   
1 kg 3,5 gram 8,5 gram
2 kg 7 gram 17 gram
3 kg 10,5 gram 26 gram
4 kg 14 gram 35 gram
5 kg 17,5 gram 43 gram
10 kg 21 gram 87 gram
15 kg 53 gram 130 gram
20 kg 70 gram 174 gram
25 kg 88 gram 217 gram
30 kg 105 gram 261 gram
35 kg 123 gram 304 gram
40 kg 140 gram 348 gram
50 kg 175 gram 435 gram
60 kg 211 gram 522 gram

Als u twijfelt, raadpleeg dan zeker uw dierenarts. Als het net gebeurd is kan hij of zij uw hond laten braken zodat de chocola niet in het lichaam wordt opgenomen. Als er al problemen zijn dan kan de dierenarts uw hond helaas geen ‘tegengif’ geven, maar hij of zij kan uw hond wel ondersteunen door de klachten te verminderen en ervoor te zorgen dat er minder van de theobromine in de darmen wordt opgenomen.

Met deze waarschuwing vooraf kunt u de nodige maatregelen nemen en zorgeloos (wat betreft de huisdieren) van de feestdagen genieten!

Prettige feestdagen!